Hoge Raad 2025 bevestigt dat verjaring bij aansprakelijkheidsverzekeringen pas start na aansprakelijkstelling

Inleiding

Verjaring is één van de meest strategische onderdelen van het letselschaderecht. Verzekeraars zetten dit instrument vaak scherp in — soms terecht, vaak niet. Zeker bij aansprakelijkheidsverzekeringen (AVB) bestaan grote misverstanden over wanneer de verjaring begint te lopen.

Op 14 november 2025 heeft de Hoge Raad in het arrest ECLI:NL:HR:2025:1686 deze discussie definitief beslecht: de verjaring tegen de AVB-verzekeraar (art. 7:942 BW) begint pas te lopen nadat de verzekerde door de benadeelde aansprakelijk is gesteld. Dat is een cruciale bevestiging van wat in de doctrine al jarenlang werd aangenomen, maar nooit zo helder door de Hoge Raad was uitgesproken. Mijn voorlopige inzichten in dit blog. Je ontvangt een volledige, geïntegreerde uitleg:

1. De casus in gewone taal

  • Een werkneemster van Rabobank had in 2009 een ongeval.
  • In 2014 stuurt haar advocaat een stuitingsbrief — maar géén aansprakelijkstelling.
    (Alleen voorbehoud van rechten.)
  • In 2018 stelt ze Rabobank wél echt aansprakelijk voor schending van art. 7:611 BW (goed werkgeverschap).

Rabobank wendt zich daarop tot haar aansprakelijkheidsverzekeraar, Zurich.

Zurich zegt:

“Te laat. De claim tegen ons is verjaard.”

De vraag: wanneer is de verjaringstermijn van 7:942 BW begonnen?

2. Het juridisch kader (7:942 BW) – hoe werkt dit ook alweer?

Een vordering op de verzekeraar verjaart door verloop van drie jaar vanaf de dag nadat de gerechtigde bekend is met de opeisbaarheid van de vordering.

Belangrijk:

Bekendheid met opeisbaarheid is níet hetzelfde als bekendheid met schade of de polis. Het gaat om het moment waarop de verzekerde een opeisbare vordering op de verzekeraar kan hebben.

En — dit is de crux — de Parlementaire Geschiedenis zegt hierover:
de opeisbaarheid bij een AVB ontstaat pas wanneer de verzekerde aansprakelijk wordt gesteld.

Dit gold al onder de oude regeling (voor 2010), bleef overeind bij de wijziging van de verjaringswetgeving en blijkt ook uit doctrine.

Als ‘moment van opeisbaarheid’ geldt volgens de Parlementaire Geschiedenis het moment waarop de verzekerde aansprakelijk wordt gesteld; derhalve niet het moment van het risico.

3. Het oordeel van de Hoge Raad (2025)

De Hoge Raad bevestigt letterlijk:

Voor de aanvang van de verjaringstermijn van art. 7:942 lid 1 BW is bepalend wanneer de benadeelde de verzekerde aansprakelijk stelt. De brief uit 2014 was géén aansprakelijkstelling. Daarin stond alleen een stuiting en een voorbehoud van rechten.
Dus:

Geen aansprakelijkstelling
→ Geen opeisbare vordering
→ Geen start verjaring
→ Geen kans voor Zurich om zich hierop te beroepen

4. Hoe past dit in de bredere verjaringsregeling?

4.1 Verjaring tegen de dader (3:310 BW) blijft onveranderd

  • 5 jaar vanaf bekendheid met schade én dader
  • Maximaal 20 jaar (tenzij letsel → soms alleen relatieve termijn)

Dat staat los van 7:942 BW. Veel slachtoffers halen deze twee door elkaar.

4.2 Verjaring tegen de verzekeraar (7:942 BW) is een afzonderlijk regime

  • De termijn is altijd 3 jaar (nieuwe regeling sinds 2010).
  • De start hangt af van opeisbaarheid → bij AVB dus aansprakelijkstelling.

4.3 Een stuitingsbrief stuit wel 3:310 BW, maar is géén aansprakelijkstelling voor 7:942 BW

De HR bevestigt exact deze nuance. Veel juristen denken dat een brief met “voorbehoud van rechten” hetzelfde is als aansprakelijkstelling — maar dat is juridisch onjuist.

5. Waarom dit arrest belangrijk is voor slachtoffers en hun advocaten

5.1 Belangrijkste winst: wederpartijen kunnen niet rommelen met het aanvangsmoment

Verzekeraars proberen vaak:

  • te zeggen dat de verjaring begon bij het ongeval, of
  • bij de eerste briefwisseling, of
  • bij kennis van het risico.

De HR maakt hier voorgoed korte metten mee: alleen de daadwerkelijke aansprakelijkstelling telt.

5.2 Dit beschermt slachtoffers in complexe zaken

Zoals:

  • art. 7:611 BW-zaken (ontoereikende verzekering)
  • beroepsziekten en latente schadetrajecten
  • whiplash en discussie over causaliteit
  • verkeerde verzekeringsdekking
  • SVI–AVB–Ongevallenverzekering overlappende situaties

5.3 Past binnen de bredere beschermingssystematiek van stuiting en verjaring

Verjaring mag nooit een sluiproute worden waardoor de benadeelde zijn vordering verliest terwijl dat feitelijk niet mogelijk was.

De HR-uitspraak sluit naadloos aan bij dat uitgangspunt.

6. Wat betekent dit concreet voor de praktijk?

Voor slachtoffers

  • Je claim kan niet “stilletjes” verjaard raken bij de verzekeraar vóórdat je aansprakelijk hebt gesteld.
  • Een stuitingsbrief is nuttig, maar niet genoeg — je moet uiteindelijk echt aansprakelijk stellen.
  • Wij zorgen dat dit juridisch perfect gebeurt.

Voor werkgevers / verzekerden

  • De meldplicht blijft van kracht.
  • De verjaring tegen de verzekeraar start pas als jij aansprakelijk bent gesteld.
  • Dit arrest biedt rechtszekerheid: er is geen geheim vroeg startmoment.

7. Conclusie

De Hoge Raad kiest in 2025 expliciet voor een slachtoffervriendelijke én wetsgeschiedenis-conforme benadering:

De verjaringstermijn van 7:942 BW begint pas wanneer de verzekerde daadwerkelijk aansprakelijk is gesteld door de benadeelde.

Dit voorkomt dat verzekeraars verjaring gebruiken als technische valkuil.

Een belangrijke verbetering voor rechtsbescherming en duidelijkheid.

Je kunt het arrest natuurlijk ook zelf lezen.

Wat ook interessant is:

Scroll naar boven